1. De visietekst ‘Diversiteit in/en het jeugdwerk’

Diversiteit is een realiteit, overal, en dat merken kinderen en jongeren dag in dag uit:

  • Maatschappelijke ontwikkelingen lijken de bestaande sociaal-economische en sociaal-culturele breuklijnen verder te vergroten en te verdiepen. Zo stijgt jaar na jaar het aantal kinderen en jongeren dat opgroeit in armoede. Armoede heeft ook een impact op de vrijetijdsparticipatie en de ontwikkelingskansen van deze kinderen en jongeren.
  • Ook op etnisch-cultureel vlak wordt onze samenleving steeds meer divers. In Vlaanderen wonen ondertussen meer dan 180 verschillende nationaliteiten. Deze evolutie stelt het jeugdwerk voor een aantal uitdagingen.
  • In navolging van het ratificeren van het VN-Verdrag van de rechten van personen met een beperking merken we een stijgende aandacht voor de inclusie van personen met een beperking.

De relatie tussen het jeugdwerk en de diverse levensomstandigheden waarin kinderen en jongeren opgroeien, is een onderwerp dat de jeugdwerksector en het jeugdwerkbeleid al langer beroert. Begin 2015 gaf de Commissie Jeugdwerk dan ook de opdracht aan de prioritaire werkgroep diversiteitsbeleid om een nieuwe, inspirerende, geactualiseerde visietekst over het thema diversiteit in de jeugdwerksector te maken.

Het jeugdwerkbeleid merkte daarbij een dubbele probleemdefinitie m.b.t. de participatie van kinderen en jongeren aan jeugdwerk. Bepaalde doelgroepen zijn ondervertegenwoordigd in het jeugdwerk en de participatie van die doelgroepen verloopt in gescheiden circuits.

Enerzijds wil het beleid de bestaande ondervertegenwoordiging wegwerken zodat alle kinderen en jongeren meer en meer gelijke mogelijkheden hebben om volop mee te genieten van de ontspanning en de ontwikkelingskansen die het jeugdwerk biedt. Anderzijds wil het beleid de participatie in gescheiden circuits wegwerken zodat jeugdwerkparticipatie sociale integratie en verbinding kan creëren tussen diverse kinderen en jongeren en zo mee een (toekomstige) generatie creëert die kan omgaan met diversiteit en die solidair is buiten de eigen groep. Om deze doelstellingen te realiseren hanteert het jeugdwerkbeleid een dubbele strategie, het zogenaamde én-én beleid of tweesporenbeleid.

Het jeugdwerk percipieert de dubbele probleemdefinitie vanuit het beleid enigszins anders: de bijgestelde verwachtingen over het ‘reguliere’ aanbod en het groeiend en wetenschappelijk onderbouwd zelfbewustzijn van het ‘doelgroepspecifieke’ aanbod zorgen ervoor dat de sector het steeds moeilijker krijgt met de opdeling tussen beide en met de visie dat het ene fungeert als een opstapje, toeleider of vangnet naar/voor het andere. De sector schuift net de evenwaardigheid van alle vormen van jeugdwerk naar voor. Sommige groepen kinderen en jongeren zijn in het jeugdwerk weliswaar ondervertegenwoordigd of kiezen voor gescheiden circuits. Het jeugdwerk zet zich in voor de sociale integratie van alle kinderen en jongeren.

Wat de gescheiden circuits betreft, lijkt de sector een dubbele houding aan te nemen. Het groeiend  wetenschappelijk inzicht in dit thema maakt duidelijk dat diverse kinderen en jongeren diverse interesses en noden hebben in de vrije tijd: niet alleen naar ‘wat’ er wordt aangeboden, maar ook ‘wie’ het aanbiedt, ‘in welke context’ het plaatsvindt, enzovoort. Als je wil dat álle kinderen en jongeren een bruikbaar aanbod vinden in de vrije tijd en je wil hen de vrije keuze laten, dan leidt dit tot zeer diverse vrijetijdsparticipatie. Maar dat brengt onvermijdelijk met zich mee dat verschillende jeugdgroepen niet hun gading zullen vinden in dezelfde types van jeugdwerk. Sommige organisaties vragen zich steeds luider af of inclusie niet een illusie is. Toch blijft de jeugdwerksector verveeld zitten met de participatie in gescheiden circuits. Ook de sector zelf acht het niet wenselijk om sociale integratie op te geven.

2. Een andere kijk op het jeugdwerklandschap en nieuwe strategieën

We denken dat een alternatief voor de opdeling ‘regulier’ en ‘doelgroepspecifiek’ mogelijk een nieuwe dynamiek in de visie- en beleidsontwikkeling kan creëren. We stellen voor om naar het jeugdwerklandschap te kijken in termen van ‘centrum’ en ‘periferie’. We willen graag een onderscheid maken tussen organisaties die op dit moment een centrale plaats bekleden in het jeugdwerk en organisaties die werken in de periferie ervan. Organisaties in het centrum ontlenen hun centrale plaats aan verschillende van deze kenmerken: ze genieten een grote naambekendheid bi het grote publiek, kennen een lange traditie, hanteren een methodiek die hoog staat  aangeschreven, bereiken voornamelijk een sociaaleconomisch en sociaal-cultureel dominant publiek, hebben een wijd vertakt aanbod en/of beschikken over een sterk maatschappelijk netwerk met politieke invloed. Zij worden als ‘regulier jeugdwerk’ bestempeld. Organisaties die zich meer in de periferie van het jeugdwerk bevinden,  beschikken niet of in veel mindere mate over deze kenmerken.

Om die vele jeugdwerkinitiatieven en vormen van jeugdwerk alle kansen te geven zijn nieuwe strategieën nodig om blijvend in te zetten op een divers jeugdwerklandschap dat zoveel mogelijk kinderen en jongeren bereikt en laat genieten van het rijke Vlaamse jeugdwerk. Strategieën die meer een meer gelijke mogelijkheden creëren voor kinderen en jongeren en strategieën die sociale integratie bevorderen. Organisaties hebben nood aan inspiratie om anders te handelen, anders te denken, hun aanbod te verruimen, anders in te vullen of bruggen te slaan naar andere werkingen en te netwerken.

3. Welke tendensen?

  • Meer en meer jeugdwerkorganisaties zijn al jaren bezig met dit thema en boeken stappen vooruit. Vandaag de dag kan je bijna niet meer stellen dat een bepaalde jeugdwerkvorm niet heeft nagedacht over zijn eigen werking en de rol die ze spelen m.b.t. superdiversiteit. Enkele voorbeelden hiervan zijn:
  • Het jeugdwerk geraakt bekender bij groepen jongeren die voordien niet even makkelijk hun weg naar het jeugdwerk wisten te vinden.
  • Lokaal merk je dat er meer nieuwe initiatieven en diverse verenigingen opduiken die hun weg naar bijvoorbeeld jeugddiensten weten te vinden. Overheden trachten deze initiatieven te definiëren en een plaats te geven binnen hun subsidiemogelijkheden.
  • Breder dan enkel in de jeugdsector ontstaat een wildgroei aan initiatieven die antwoord willen formuleren op diversiteitsuitdagingen.
  • Het ontwikkelen van de visienota diversiteit in/en het jeugdwerk geeft taal aan uitdagingen omtrent diversiteit en zorgt ervoor dat andere sectoren en beleidsdomeinen het jeugdwerk vinden om samenwerkingen op te zetten. Jeugdwerk wordt bijgevolg erkend als belangrijke maatschappelijke actor die aan de slag gaat met diversiteit.
  • De visienota diversiteit in/en het jeugdwerk was aanleiding voor Minister Gatz om werk te maken van een masterplan diversiteit met als ambitie om nog meer diverse kinderen en jongeren toe te leiden naar het jeugdwerk. Minister Gatz lanceert op 23 februari 2018 zijn masterplan diversiteit.

4. Vragen, ter discussie

  • Een visienota schrijven is één ding, maar hoe zorg je ervoor dat jongeren, vrijwilligers deze nieuwe manier van kijken begrijpen en toepassen? Hoe kunnen organisaties hen daarin begeleiden? Hoe kan een jeugdwerkorganisatie lokale groepen, vrijwilligers en jeugdwerkers ondersteunen voor meer sociale integratie?
  • We merken een stijgend bewustzijn in het jeugdwerk omtrent de participatie van verschillende groepen jongeren aan activiteiten en initiatieven. Soms blijkt het bereiken van diverse groepen jongeren een daverend succes, soms is nog werk aan de winkel. Maar de grootste uitdaging ligt bij de vergadertafels waar beleid gemaakt wordt. Die zijn vaak gekleurd met eenzelfde type jeugdwerkers. Hoe zorgen we voor meer diverse stemmen aan tafel? Yasmia had daar alvast een mening over. 
  • Het jeugdwerk is een maatschappelijk actor en wordt meer in deze rol (h)erkend. Maar om deze rol zo goed mogelijk te spelen, moet het jeugdwerk uit zijn kot komen en samenwerkingen aangaan met andere levensbeleidsdomeinen die een betrekking hebben op het leven van kinderen en jongeren. Wat is de ideale context waarin een jeugdwerkorganisatie samenwerkingen kan opzetten voor meer sociale integratie te bevorderen?
  • Jeugdwerkorganisaties verlagen drempels met de doelstelling om zoveel mogelijk diverse jongeren te bereiken. Allemaal zeer waardevolle initiatieven maar die serieuze inspanning van de eigen organisatie vraagt. Door laagdrempelig te willen werken verliezen we dan ook niet de ziel en eigenheid van bepaalde jeugdwerkinitiatieven?