1. Wat en waarom deze zoektocht?

Het jeugdwerk profileert zich doorheen haar lange geschiedenis als een plek waar kinderen en jongeren onbezorgd jong kunnen zijn. Een plek ook waar ze volop kunnen experimenteren, zichzelf kunnen zijn en met vallen en opstaan kunnen proberen en leren. ‘Experimenteren’ is daarom een te onderzoeken toekomstperspectief.

De vraag is echter wat er precies bedoeld wordt met ‘experiment’. Want wat catalogiseer je onder experiment en wat niet? Voor sommige werkingen zal het ene experiment een doodnormaal gegeven zijn, terwijl het voor een ander echt om vernieuwend aanbod gaat. Om die reden is het noodzakelijk om het begrip ‘experimenteren’ enigszins af te bakenen en te kiezen waar we ons in dit traject precies op focussen.

Experiment is gericht op (sociale) innovatie en verandering

Experimenteren in het jeugdwerk is steeds experimenteren om iets in beweging te zetten. Je experimenteert niet zomaar om te experimenteren. Eerder zijn experimentele projecten en praktijken gericht om (maatschappelijke) verandering. Experimenteren doen we om te innoveren, omdat we iets willen verbeteren.

Experiment als maatschappelijke innovatie

Gezien het volledige traject congres #Jeugdwerkwerkt in het teken staat van de maatschappelijke rol van het jeugdwerk, pleiten we er dan ook voor om experimenteren te linken aan maatschappelijke innovatie. Op die manier kleuren we het begrip in, en geven we het meer betekenis. Experimenteren lees je dan als: innoverende praktijken gericht op maatschappelijke verandering, waarbij bestaande spelregels in vraag gesteld worden.

Vanuit een kritisch-emancipatorisch perspectief

Experimenteren wordt zo meteen ook begrepen als een proces van maatschappelijk leren. Doorheen haar experimentele en innoverende prakijken werkt het jeugdwerk aan een voorafbeelding van hoe ze de maatschappij wil zien. Dit betekent dan ook meteen dat de experimenten waar we ons verder op richten, steeds gelinkt zijn aan een maatschappelijke evolutie of nood.

Verbinding met andere thematrajecten

Het mag duidelijk zijn dat een thema als ‘experiment’, eens het ingekleurd wordt vanuit het perspectief van maatschappelijke innovatie, plots meer reliëf krijgt. Experiment staat steeds in verbinding tot iets, en draagt bij tot een wenselijke samenleving. Op die manier kan dit thematraject ook meteen verbonden worden met andere trajecten. Het is net door de methode experimentele en innoverende projecten toe te passen, dat we werken aan maatschappelijke verandering in diversiteit, politisering, werken met hedendaagse vrijwilligers en het verbinden van sectoren in kruispuntgericht werken. (We beschouwen experiment hier als een methode, een manier om dingen in beweging te zetten).

Welke vrijplaatsen?

Het besef dat elk van de thematrajecten op zoek gaat naar experimentele projecten die tegemoet komen aan een bepaalde maatschappelijke nood, geeft ons ruimte om dit thematraject te richten op een eigen geïdentificeerde maatschappelijke evolutie. Meer bepaald zoeken we naar experimentele projecten die tegenwicht bieden aan de maatschappelijke evoluties betreffende druk op tijd, ruimte en risicovermijding. Projecten die zich expliciet identificeren als een vrijplaats waar weinig moet, en veel mag; daar zijn we naar op zoek.

2. Enkele maatschappelijke evoluties

Jeugdwerk dat zich expliciet gaat benoemen als een vrijplaats waar weinig moet en veel mag, wil met haar experimentele methode inspelen om enkele maatschappelijke evoluties:

Een dominant discours van risicovermijding

  • Een maatschappij die zich kenmerkt door de identificatie van steeds meer risico’s en de daarbij horende vermijding van risico’s. Een symptoom van deze evolutie is de verregaande juridisering van onze samenleving. Ook in het jeugdwerk zijn deze symptomatische veranderingen zichtbaar. Denk maar aan de GAS boetes (ook voor -14 jarigen), kampreglementen, bosdecreten, … een van de gevolgen is dat jeugdwerkers niet altijd experimenten durven opzetten.
  • Bovendien willen ouders ook steeds vaker op de hoogte gehouden worden van wat er gebeurt in de vrije tijd. Met technologische ontwikkelingen die voortdurende connectie mogelijk maken, eisen ouders ook steeds vaker het recht op om in verbinding te staan met hun kinderen, en een verantwoording van de jongeren die hen begeleiden. Ook dit beperkt de bewegingsvrijheid van jeugd(werkers) en zorgt voor extra externe controle.
  • De steeds verdere vermarkting van de overheidssector is al jaren aan de gang en zet door. De overheid stelt zich steeds meer bedrijfsmatig op en werkt volgens de principes van new public management waarbij efficiëntie en effectiviteit centraal staan. Een van de gevolgen van dit new public management voor het middenveld is de groeiende verantwoordingsdruk. In ruil voor subsidies moet het middenveld verantwoording afleggen voor zijn prestaties (accountability). Dit toegenomen nuttigheidsdenken laat steeds minder ruimte voor het vrije experiment zonder gegarandeerd resultaat.

Druk op maatschappelijke ruimte

  • De ruimte in Vlaanderen is per definitie eindig. De schaarse publieke ruimte waarover we beschikken wordt dan ook vaak door verschillende groepen en functies gebruikt. De vrije onbestemde ruimte zoals braakliggende veldjes, bosjes, beken, … waar je als kind of jongere echt kan spelen en ontdekken, verdwijnen steeds meer om plaats te maken voor functionele ruimtes.

(Tijds)druk, ook in de vrije tijd

En deze maatschappelijke evoluties hebben gevolgen voor het jeugdwerk:

  • De explosieve toename van het vrijetijdsaanbod, gecombineerd met de tijdsdruk die gezinnen ervaren, doet de concurrentie voor het jeugdwerk toenemen. Jeugdwerkorganisaties en hun aanbod moeten opboksen tegen allerlei unieke en specifieke vrijetijdsbeleving.
  • Meegaan in deze race naar unieke ervaringen, maakt dat downtime voor kinderen en jongeren enkel schaarser wordt. Er moet aanbod zijn, en kinderen en jongeren moeten er vooral veel uit opsteken (liefst weten we dit zelfs op voorhand).
  • De plekken waar je een cross parcours of skateramp kan aanleggen, een boomhut kan bouwen, een vuurtje kan stoken, met een paar vrienden een fuif kan organiseren zonder allerlei regels en toezicht, zijn een schaars goed geworden. De echt vrije en onbestemde (speel)ruimte in Vlaanderen wordt schaarser en schaarser.
  • Bovendien valt het op dat jeugdwerkorganisaties al enkele jaren worstelen met experimenteerdrang: vaak horen we dat de wil er is, maar de ruimte ontbreekt en de risico’s van falen te hoog worden ingeschat om effectief nieuwe zotte ideeën uit te proberen.

Hoe zorgen we er voor dat de vrije tijd die kinderen en jongeren in het jeugdwerk beleven ook effectief terug hun vrije tijd is, tijd waar ze niet al te veel moeten en vooral veel mogen proberen? Welke recepten gebruiken we daarvoor? Moeten we radicaal vernieuwen, of net teruggrijpen naar de basics van het jeugdwerk?

Wat doen we met de experimenteerdrang van organisaties? Hoe zorgen we er voor dat zij ook nieuw gebied ‘ontdekken’ en vrije ruimte bieden aan de jongeren waar ze mee werken? Hoe combineren we het opzetten van per definitie risicovolle experimenten en maatschappelijke innovaties met een toegenomen dwang naar verantwoording? Is het jeugdwerk vandaag de dag wel de plek waar maatschappelijke innovatie in gang wordt gezet? Staat dit beeld van de jeugdwerksector als experimenteerplek haaks op de realiteit?

3. Voor de toekomst …

Het jeugdwerk is geen eiland, maar is daarentegen onlosmakelijk verbonden met de maatschappij waar ze deel van uitmaakt. De drang naar nuttigheid en resultaat is dus ook geen nieuw verhaal voor de vele jeugdwerkpraktijken die Vlaanderen rijk is. Zowel haar ‘klanten’ (jeugdwerk als nuttige vrijetijdsbesteding)naar een subsidiërende overheid toe (resultaatsindicatoren), voelen jeugdwerkers en jeugdwerkverenigingen de vraag naar resultaten.

Veilige, gestructureerde praktijken

Een tendens ‘on the ground’ floor is om mee te gaan in de vrijetijdsstress en dwang om een verantwoorde, nuttige vrijetijdsbesteding te voorzien. Jeugdwerkorganisaties en jeugdwerkers voorzien zo vaak in gestructureerde, veilige praktijken, waarmee ze zo min mogelijk risico lopen op falen. In het kader van experimenteren, is falen net een belangrijke stap naar procesmatig leren. Experimenten zijn per definitie gefaseerde trajecten, waar falen nodig is om te verbeteren.

Hoewel experiment hoog gewaardeerd wordt in onze huidige maatschappij, voelen jeugdwerkers toch de dwang om resultaten te kunnen voorleggen en te verantwoorden waarom ze met hun jongeren allerlei nieuwe zaken uitproberen en experimenten opzetten, zonder te weten of het meteen gaat opleveren.

De tegenbeweging laat niet op zich wachten: in de marges van het jeugdwerk wordt volop geëxperimenteerd met de creatie van vrijplaatsen. Praktijken claimen leegstaande ruimtes (vb. Toestand vzw) of bouwen hun bestaande lokalen om tot multi-inzetbare ruimtes (vb. Formaat – Multiplek) of installeren in hun gemeente ruimte om ondernemerschap bij jongeren te stimuleren. Steeds proberen initiatiefnemers daar mee een context te creëren die net stimuleert om nieuwe innoverende praktijken te ontwikkelen.

Risicovermijdend spel

Nog een stap verder dan gestructureerde, voorspelbare praktijken is het verdwijnen van vrij spel in de brede zin van het woord. Onder druk van de risicomaatschappij gaan we kinderen beschouwen als een ‘te beschermen’ bevolkingsgroep en vermijden we al te grote risico’s.  We voorzien zo een gestructureerd, veilig spel waarbij kinderen zo min mogelijk risico lopen.

Er tekent zich echter een breed maatschappelijke beweging af om terug naar de wortels van spel te grijpen. Onder andere het Vlaamse Goe Gespeeld en de internationale Playwork beweging pleiten voor meer Risky Play en ‘vrij spel’. Die laatste stelde zelfs een aantal fundamentele principes op om terug meer naar de wortels van echt spel te werken. In grote lijnen komt het hier op neer:

Alle kinderen en jongeren voelen de behoefte om te spelen. Spel is een vrij gekozen, persoonlijk gestuurd en intrinsiek gemotiveerd proces. Kinderen hebben dan ook zelf controle over wat ze spelen en op welke manier ze dat doen. De primaire focus van Playwork is om dit vrije spel te ondersteunen en faciliteren.

Begeleiders dienen in de eerste plaats te creëren waarin jongeren hun spel kunnen ontwikkelen. Het spelproces van kinderen staat voorop, de begeleider biedt impulsen die spel bevorderen. Hij zoekt hierin naar een ideaal evenwicht tussen veiligheid en risico zonder het proces al te veel zelf te bepalen.

In essentie komt het pleidooi van deze beweging neer op een doorgedreven promotie van vrij spel en het vraaggericht werken. Vertrekken van jongeren, hen vrijheid bieden om zelf spel te ontwikkelen en impulsen bieden met voldoende uitdaging om het ontdekkend spelen te bevorderen.

In projecten: resultaatsindicatoren en gekende recepten

Onder diezelfde dwang naar verantwoording en resultaten, gaan ook jeugdwerkverenigingen gebukt. Een vaak gehoorde verzuchting is dat de wil naar experiment er is, maar de ruimte ontbreekt en de risico’s van falen te hoog worden ingeschat om effectief nieuwe zotte ideeën uit te proberen. Zowel op Vlaams niveau als in lokale convenanten en subsidieovereenkomsten, staan resultaatsindicatoren voorop om de nuttigheid van verenigingen te kunnen staven. Ze dienen voor de subsidiegever voldoende aan te tonen op welke wijze subsidies nuttig worden toegepast.

Eigen aan experimentele trajecten is dat ze enkel inspanningen bij voorbaat kunnen garanderen. Maatschappelijk innoveren betekent per definitie het risico op falen, en opnieuw proberen, telkens weer, tot er zich een resultaat voordoet waar we tevreden over kunnen zijn.

In stedelijke gebieden zien we in de praktijk nieuwe vormen van jeugdig initiatief opduiken. Initiatieven waar de klassieke recepten van subsidieovereenkomsten en jeugdconvenanten minder vat op hebben, maar die ook vaak ontsnappen aan de blik van het reguliere erkende jeugdwerk. Het gaat vaak om jongeren die vanuit noden en goesting initiatief nemen en acties opzetten om een probleem of opportuniteit aan te pakken. Een meerwaarde voor hen en voor iedereen die ze bereiken. Veel van de voorbeelden die we zien opduiken, pakken vooral stedelijke noden aan. Omdat de druk op bv. fysieke ruimte daar het hardst gevoeld wordt, zie je in steden al vele voorbeelden van gedeeld of tijdelijk ruimtegebruik opduiken.

We houden een pleidooi voor vraaggericht jeugdwerk: jeugdwerk moet vertrekken van de basis, nl. jeugd en hun noden. Door een context van vrijplaats te creëren, geven we radicaal eigenaarschap aan kinderen en jongeren om hun eigen praktijken te ontwikkelen.

De jeugdwerker van de toekomst promoot dan ook ontdekkend spel / jeugdwerkpraktijk. De jeugdwerker is bovenal een vraaggericht facilitator, meer nog dan een ‘aanbod-maker’. Focus voor onze opleidingen moet dan ook liggen op waarnemen en verbeelden: jonge begeleiders kansen leren zien en hier creatief initiatief in ondernemen, is de sleutel tot echte vrije ruimte voor experiment en ontdekking.

Jeugdwerkverenigingen ontwikkelen zich als vrijplaats. Ze maken een experimenteerplek mogelijk door tijd en ruimte te bieden en een context met een goed evenwicht tussen uitdaging en veiligheid, zodat jongeren kunnen vallen en vooral: terug opstaan. Het komt er op aan om stimulerende leeromgevingen te creëren, waar jongeren kunnen ontdekken door te doen en zaken te ondernemen.

Vandaag schieten onze klassieke modellen van verantwoording tekort in zulk radicaal vraaggericht werken. Door de methodiek van maatschappelijk innoveren en experimenteren volop toe te passen, kan het jeugdwerk terug ruimte creëren om te proberen, te falen, opnieuw te proberen en effectief nieuwe maatschappelijk relevante modellen en praktijken te ontwikkelen. Willen we vanuit het jeugdwerk effectief vrije ruimte bieden aan kinderen en jongeren om hun eigen initiatief te verbeelden en concretiseren, dan moeten we op voorhand vastgelegde resultaten durven loslaten.

4. Vragen, ter discussie

  • In welke mate moeten we klassieke recepten loslaten om experiment te omarmen?
  • Hoe kunnen we opleiden om het aanbodgerichte te lossen ten voordele van vraag, context- en impulsgericht jeugdwerk?
  • Welke elementen zijn belangrijk om een context van maatschappelijke innovatie te ontwikkelen? Wat hebben jeugdwerkers, jeugdwerkorganisaties en de jeugdwerksector nodig om hun rol als maatschappelijke innovator op te nemen?
  • Hoe kunnen we ons verantwoorden als vrijplaats? Naar subsidiegevers en brede maatschappij?
  • Hoe zorgen we er voor dat het erkende, reguliere jeugdwerk voldoende ruimte blijft bieden aan experimentele praktijken? Hoe zorgen we er m.a.w. voor dat onze grenzen doorlaatbaar blijven, zodat we zelf voldoende uitgedaagd worden?

En: welke vragen zijn de belangrijkste? Welke output wil je op het congres (inspirerende voorbeelden, modellen, aanbevelingen …)?